Feeds:
Berichten
Reacties

Onderweg naar huis

Soms loopt de emmer over. Vandaag stortte de NS mooie momenten over mij uit. Bij het instappen passeerde ik een stoere, witgehaarde, in versleten spijkerbroek geklede man, die met een voet op de treeplank en een elleboog op de knie afscheid nam van een een kleinere, goed gekostumeerde en gecoiffeerde, eveneens witgehaarde andere man. Brokeback Mountain schoot door mijn hoofd, ik keek om en zag de twee een klein, lief en teder kusje wisselen. Toen gingen de deuren dicht.

Tegenover mij zat een stoere, hippe chick met haar rode iPhone te bellen: “Nee, E. rijdt straks met me mee, die heeft geen vervoer.” Naast haar zat een provinciale, alweer witgehaard, stekeltjesgekapselde man in verstandige schoenen. Het meisje hing op, de man draaide zich fronsend naar haar toe en zei: “Hoe is het nu met E.? Ze kan ook met ons meerijden als dat handiger is.” (E. is overigens ook de naam van ons wichtje, wat het gesprek een bizar tintje gaf: E. had namelijk wel degelijk vervoer, die reed op dat moment met haar vader mee naar huis.)

De conducteur haalde vriendelijk de angel uit opkomend verbaal geweld. “Vraagt u niet om mijn kaartje”, foeterde de passagier twee stoelen achter mij. De conducteur legde geduldig zijn werkwijze uit: “Meestal zeg ik goedemiddag. Of ochtend, als het ochtend is.” Ik kreeg een knipoog in ruil voor mijn trajectabonnement en tijdens het omroepen noemde hij alle stations op zo’n manier dat het bijna rijmde.

In mijn straat (een doorgaande weg waar om zes uur ’s ochtends vrachtwagens doorheen denderen en regelmatig dubbeldeks aanhangers met auto’s erop passeren) rook het naar wafels. Een eindje verderop stond een blond jongetje achter een klustafel met een wafelijzer en een beslagkom. Zijn wafels, interessante creaties van variërende dikte en vorm en allemaal warm en geurig, kosten vijftig cent per stuk.  

Vlakbij mijn huis lag een vrouw met boodschappen op de grond, haar achterwerk de lucht in gestoken. Ze maakte met haar mobiel foto’s van de mini-narcissen die tussen de stoeptegels uit staken en de blauwe klokjes in het perkje voor het huis. Een bebrilde man liep voorbij en vroeg: “Is het lente in Utrecht?” “Ja”, lachte ik.

Advertenties

Baby monoloog

Het schijnt niet aan iedereen gegeven te zijn, maar ik kan uren kletsen tegen mijn baby. Op babytoon, maar vaker op volwassen-mensen-niveau. Ik word zelf namelijk nogal moe van dat hoge gekir en zij snapt me toch niet, hoever ik het niveau ook verlaag. Dus vertel ik haar in de wachtkamer bij de dokter dat vissen een concentratiespanne van drie seconden hebben en daarom zo blij in de kom rondzwemmen. “Net als jij.”

Met haar twee ogen probeert ze vijf vissen tegelijk te volgen. “Zullen we de dokter vragen of hij extra oogjes implanteert, zo boven je oren”, ik prik op haar hoofd en ze kiepert dat hoofd achterover om mij verwijtend aan te kijken. Ik heb een tijdlang gedacht dat ze zo’n hekel had aan op haar buik liggen omdat ze dan niet kon zien wat er achter haar gebeurde. Als ze op haar rug ligt, met haar hoofd op de grond, weet ze tenminste zeker dat ze maximaal zicht op de wereld heeft. “En wil je dan ook ogen in je achterhoofd, zodat je mij goed in de gaten kunt houden?”

De vrouw op het bankje tegenover me kijkt verstoord om, alsof ik haar een verwijt maak. Dat soort dingen gebeurt me wel vaker met die baby monologen. Zoals in de supermarkt. “Hee liefie”, roep ik vertederd de wieg in als ze stralend naar me lacht. De vier mensen in het gangpad (Aziatische bijna-kant-en-klaar-pakjes, pesto en zeventien verschillende pastasoorten) kijken verwachtingsvol op. “Niet jullie, zij”, wijs ik. “Ik keek niet naar je, hoor”, zegt de dichtstbijzijnde snel, draait zich om en ziet zes ogen op zich gericht. Betrapt. Iedereen duikt terug zijn rek in.

Je zou denken dat ik het wel zou leren. Maar het wordt alleen maar erger. “Ik hou van je”, roep ik enthousiast bij de volgende stralende glimlach, kijk op en zie een evenzo stralende glimlach van de Marokkaanse jongen voor me in de rij bij de kassa. “Niet jij”, veronschuldig ik me, “zij!” Hij knikt minzaam. Hij weet wel beter.

Kopje in Cambridge

Een half leven geleden was ik in Cambridge. We bezochten de penvriend van een vriendin, een Indiase Sikh die ’s ochtends vroeg of we decent waren en toen bleek dat wij t-shirts en onderbroekjes heel decent vonden, zo schrok van al dat vrouwelijk naakt dat hij terug zijn bed in sprong en de dekens over zijn hoofd trok. Overdag had hij college en dus gingen wij naar het Fitzwilliam Museum, want in Engeland zijn de grote musea gratis. En daar zag ik ‘white cup and saucer’ van Henri Fontin-Latour.

Dat jaar was sowieso een goed jaar voor mij en kunst. Dat was ook het jaar dat ik Pissarro’s ´Boulevard Montmartre la Nuit´ ontdekte in de Londense National Gallery (eveneens gratis, net als het door koloniale dieven gevulde en briljante British Museum waar ik dat jaar voor het eerst de Rosetta Steen heb aanbeden) en het jaar dat ik mijn eerste Monet in het echt zag. Tot dan toe had mijn kunstkennis zich voornamelijk ontwikkeld via de posters bij de Expo.

Welke Monet ik zag, weet ik niet meer. Pissarro’s Montmartre en de Rosetta Steen bezoek ik nog iedere keer dat ik in Londen kom. Maar naar het Fitzwilliam ben ik nooit meer terug geweest (naar Cambridge wel, twee keer zelfs, om een promoverende vriendin te bezoeken en als uitvalsbasis voor het nabij gelegen Ely, waar Aethelthryth en haar zusters zetelen). Toch is ‘white cup and saucer’ in mijn geheugen gegrift.

Thee dronk ik toen nog niet (ik was sneller met alcohol dan met thee, hoewel het niet veel scheelde, en koffie drink ik nog steeds niet) en Engelse thee heb ik nooit leren drinken (er zijn grenzen, en ik trek die bij bitter zwart spul als Engelse thee en pintjes Guinness). Ik ben geen servies- of zilverfetisjist. Waarom juist dit schilderij zich in mijn hart heeft genesteld, ik weet het niet.

Maar toen ik een header voor mijn blog zocht, plopte Fontin-Latours’ kopje in mijn hoofd. Een zoektocht op internet leerde mij dat het gebruik en de rechten zo’n 400 pond zouden kosten. Een tikje overdreven voor een blog dat niemand leest (ik heb er dan ook niemand over verteld, dus dat is mijn eigen schuld. Wil ik ontdekt worden? Niet per se. En een wachtwoord lijkt me niet nodig. Het beste geheim wordt openlijk bewaard).

Internetlogica dicteert dat ik dan gewoon de lage resolutie pic van de museumsite rip, maar als voormalig beeldredacteur en liefhebber van gratis musea kon ik dat niet over mijn hart verkrijgen (ze zullen toch ergens aan moeten verdienen). In de hoop dat er een maasje in de regels was voor niet-commerciële uitgaven heb ik er een mailtje aan gewaagd.

De volgende dag had ik antwoord: rip wat je wilt, zolang je de naam van het museum maar vermeldt. En voor zes pond sturen we je de hoge resolutie-versie. Dus bij deze: I heart Fitzwilliam Museum.

Burger Stationsking

Half zeven op Utrecht Centraal is spitsuur. Ik dein mee op de huiswaarts kerende massa, allemaal op weg naar het avondeten. Vanuit mijn ooghoek registreer ik jaloers de burgerkingburger met frietjes van de man in het felgele NS-informatiebakje. Hij heeft de tafel gedekt: het vetvrije papier is open gevouwen, in het midden ligt de burger, rechts de frietjes, de frisdrank erboven met het rode rietje naar de man toe gekeerd. Hij pakt de burger tussen twee handen en neemt een hap. Hij legt de burger neer, kauwt rustig en slaakt een tevreden zucht. Hij zet het rietje aan zijn mond, neemt een teugje van de frisdrank. Hij smakt eventjes, proeft. Dit is slow fastfood, een oase temidden van de kolkende mensenmassa.

Naast de oase staat een aftandse fiets. De man draagt een vaalgroene jas en zijn haar is ongewassen. Zorgvuldig vermijdt hij de blikken van de langslopende mensen – al lijkt het niemand op te vallen dat de man achter de informatiebalie NS-jas en -pet heeft thuis gelaten. Hij geniet. Wij gaan naar huis.

Dit is mijn eerste post, mijn eerste bericht op mijn eerste blog. Ik ben er laat mee, want eigenlijk ben ik analoog. Dat zie je nu ook weer: de site is nog niet eens gepimpt, maar met het schrijven ben ik alvast begonnen. Letters zijn mijn eerste liefde, om te schrijven en om te lezen, om te versturen en om te ontvangen. Maar ik ben geen schrijver. Ik ben niet literair begenadigd. Mijn woorden overtuigen niet, verleiden niet, zuigen niet je gedachten een andere wereld in, openbaren geen vergezichten, fileren niet de taal.

Ik ben een briefschrijver. Mijn woorden kletsen. Mijn woorden wandelen, meanderen langs onderwerpen, bespreken de sleur en de spanning en zijn doorspekt met informatie en vermaak. Ik hou van verhalen, ik hou van verwondering, ik hou van lachen. Ik hoop dat mijn woorden gezellig zijn.

En ik ontvang graag woorden terug. Dit blog is mijn open brief aan jou. Wil je mijn penvriend(in) zijn?